|
R.M.R. GOUDART - KEUKENMONTAGES |
| Aanlegbreedte | Bij een fundering op staal de berekende breedte van de fundering. |
| Aanlegdiepte | De afstand van onderkant fundering tot aan het maaiveld. |
| Aannemer | Bouwbedrijf dat tegen een vooraf overeengekomen prijs een bouwproject uitvoert. De aannemer is degene die verantwoordelijk is voor de uitvoering van het bouwproject. De aannemer wordt meestal gekozen door de architect of opdrachtgever, vooral om zijn specialisme, specifieke mogelijkheden en (bouwkundige)praktijkkennis. Voor bepaalde onderdelen zal de aannemer onderaannemers aanstellen, bijv. voor heiwerk. |
| Aantrede | De aantrede is de horizontale maat van voorkant trede tot voorkant van de bovenliggende trede, ter plekke van de looplijn gemeten loodrecht op de voorkant van de onderste trede.
Volgens het bouwbesluit is de aantrede minimaal 18,5 cm, volgens NEN 3509 minimaal 19 cm. Verhouding optrede en aantrede:
2 x Optrede + 1 x aantrede moet liggen tussen 57 en 70 cm. Dit is een maatverhouding die de gemiddelde stapgrootte van een mens aangeeft, en waar je binnen moet blijven om een goed lopende trap te verkrijgen. ;
De afstand van de voorkant van een traptrede (neus) tot aan de voorkant van een volgende traptrede. (het element waarop de voet wordt geplaatst)
|
| aantredediepte | afstand tussen de neus van de ene trede en de neus van de andere trede |
| aanzetsteen | Eerste steen links en rechts in een gemetselde boog.
Evenals de sluitsteen zijn de aanzetstenen op constructieve
punten geplaatst. Ze worden vanwege hun zwaardere belasting,
maar ook uit decoratief oogpunt, veelal in natuursteen uitgevoerd
|
| Aanzetstukken | Aanzetstukken zijn zandstenen ornamenten bij klokgevels van waaruit de zandstenen banden van de klok ontspringen: ze bestaan meestal uit een klein stukje kroonlijst dat in de bakstenen gevel inspringt (soms heel diep) en waarop een ornament zoals een kuif is geplaatst. |
| Aardlekschakelaar | Een beveiligingsapparaat in een elektrische installatie. De aardschakelaar schakelt de elektriciteit uit zodra er een lekstroom naar de aarde loopt. Dat doet hij door de stroom in de fase- (bruin) en de nulleiding (blauw) te meten. Als hier een verschil in zit, betekent dit dat er ergens anders stroom kan weglekken. Hierna wordt de interne schakelaar uitgeschakeld. Een aardlekschakelaar voorkomt niet dat iemand een 'schok' kan krijgen. Het zorgt er 'alleen' voor dat deze niet te lang duurt.
|
| Aardpen | Een massief koperen staaf die in de grond wordt geslagen om elektriciteit bij een storing veilig af te kunnen voeren. Afhankelijk van bodemsoort en diepte van het grondwater kan deze kort of lang zijn tot enkele meters toe. Alle aardaansluitingen (bijvoorbeeld in een stopcontact) in een woning zijn op die aardpen aangesloten. |
| Absis | De absis (of apsis) is een halfronde, of veelhoekige, nisvormige ruimte aan een kerk
of kathedraal. Deze ruimte gold in eerste instantie als zetel van de bisschop en
priesters.
Later is de absis gaan gelden als afsluiting van het koor, nadat de ruimte groter
gewenst was omdat de priesters en monniken? zich naast het altaar opstelden om te
zingen.
|
| Absolute zetting | Zakking van een pand in zijn geheel. Dit kan gemeten worden ten opzichte van het N.A.P (Nieuw Amsterdams Peil |
| Acanthus | De Acanthus is een doorn-achtige plant met sierlijk krullende bladeren.
In de bouwkunst van de Barok, de Renaissance en het Classicisme werden deze
bladeren als voorbeeld gebruikt voor de versiering van kapitelen.
|
| Achterhuis | Bedrijfsruimte van de boerderij waarin zich deel, stallen, spoelhoek e.d. bevinden. |
| Aedicula | (latijn: klein huis, tempeltje) wordt in de bouwkunst gebruikt om de ombouw van een
nis aan te duiden. De Aedicula bestaat uit pilaren, zuilen? of pilasterss? en een
puntgevel en werd in Romeinse? tempels gebruikt als aanbouw om een beeld in te
plaatsen.
In de Middeleeuwen werd de term Aedicula gebruikt voor het aanduiden van een
kleine (graf)kapel.
De Aedicula heeft enkel een decoratieve functie, en wordt sinds de Renaissance
vooral voor grafmonumenten en altaren wordt .
|
| Afbindtijd | De tijd die nodig is om een lijmverbinding de maximale sterkte te geven. Die kan afhankelijk zijn van het soort lijm en externe omstandigheden zoals temperatuur en vochtigheid. |
| Afboeren | Het beschadigen of afbreken van een constructie bij bijvoorbeeld een oplegging van een stalen ligger op het metselwerk. |
| afdeklijst | Lijst met hellend bovenvlak als afdekking van een muur, veelal bedoeld als bescherming tegen inwatering. |
| afgeknot | Term die gebruikt wordt wanneer een dakpartij aan de bovenzijde is afgeplat, bijv.
afgeknot schilddak.
|
| afgewolfd | Term die gebruikt wordt wanneer een
uiteinde van de nok van een zadeldak is afgeschuind; -zie ook wolfsdak.
|
| Afschot | Schuin verloop van vloeren, daken, goten en leidingen om water snel af te voeren |
| Afsnuiten | Het verwijderen van de scherpe kanten van houtwerk. |
| Afstandhouder | Een betonnen of kunsstof blokje dat ervoor zorgt dat de wapening in een betonconstructie de juiste dekking krijgt. |
| Aftapkraan | Een kraan in de watermeterput waarmee men de waterleiding in huis kan aftappen. |
| ajour | Opengewerkt decoratief houtsnijwerk of beeldhouwwerk. |
| Alkoof | Een tussenkamer die als slaapkamer gebruikt wordt. |
| Alliantiewapen | Een alliantiewapen is de gecombineerde wapenschilden van families die door een huwelijk met elkaar zijn verbonden. Vaak werden alliantiewapens in de voorgevel van een huis aangebracht. |
| Amoveren | Slopen, verwijderen |
| Amsterdamse School 1910-1930 | De Amsterdamse School streefde naar fantastische vormen. Het is een decoratieve en expressieve bouwstijl waarbij gebruik wordt gemaakt van golvende
baksteen, gebeeldhoude ornamenten, parabool- en trapeziumvormen en details als
siermetselwerk en laddervensters. De daken zijn veelal steil en soms met torentjes
versierd. Bij landhuizen in deze bouwstijl zijn de daken merendeels van riet en platisch gemodelleerd. Het functionele is ondergeschikt aan de vormgeving. Dit was een protest tegen de eisen van het gebruik en de constructie. Men vond dat er geen rekening werd gehouden met de bewoners en met de constructie van een gebouw. Ook is een gebouw pas compleet wanneer het is ingericht. Men zette zich af tegen Berlage, die volgens hun mening te strak en zakelijk was. Kenmerken De Amsterdamse School gebruikte veel verticale accenten in de gevelindeling. Men gebruikte eerlijke materialen, zoals baksteen en hout. Hun bouwwijze was expressief, men gebruikte veel siermetselwerk van handvormsteen. Ook wordt de stijl gekenmerkt door grillige kozijnvormen in zwaar hout, vaak ladderramen met meerdere horizontale roeden. Men bouwde golvende gevels, en men paste veel materialen onconventioneel toe, zoals dakpannen als muurbekleding. Deze stijl beheerste vanaf ongeveer 1910 tot eind jaren twintig de architectuur (vooral woningbouw, scholen en bruggen) te Amsterdam en in mindere mate elders. Idee : |
| Andreaskruis | Een X-vormig houten kruis dat bij houten vloeren in verband met de stabiliteit van de constructie tussen de balken wordt aangebracht |
| Angelustoren | De naam Angelustoren wordt in de bouwkunst gebruikt om de toren boven de viering? in een kerk of kathedraal waarin de Angelusklok? hangt aan te duiden. |
| Anker | Een anker is een staaf van smeedijzer, waarmee de balken aan de gevel/buitenmuur zijn bevestigd. Het anker is meestal in smeedijzer vervaardigd en heeft vaak een elegant motief. De vorm van een anker wordt bepaald door de bouwperiode. Op oude herenhuizen en boerderijen wordt het anker vaak gebruikt om het bouwjaar aan te geven.In de 18de eeuw werden blindankers toegepast: deze zijn in het metselwerk weggewerkt en zijn dus niet te zien. |
| Antependium | Het antependium is de bekleding aan de voorkant van een altaar in de vorm van stof, hout of edelmetaal. |
| Apsis | Nisvormige, halfronde of veelhoekige afsluiting van het koor, het schip, of een zijbeuk van een kerk |
| arbeiderswoning | Sinds de tweede helft van de 19e eeuw gebouwd klein type woonhuis voor arbeiders en ambachtslieden. Veelal twee aan twee of in een rijtje van verscheidene woningen, elk bestaand uit een woonvertrek, keuken met bedsteden en een zolder. |
| Arbouw | Stichting Arbouw is een kennisinstituut dat gericht is op het verbeteren van de arbeidomstandigheden in de bouwnijverheid en het terugdringen van het ziekteverzuim. |
| arcade | Een reeks van bogen rustend op pijlers of zuilen. Op enige afstand van een muur en met een overdekking vormt de arcade een galerij. |
| Architect | De architect: Denkt het hele gebouw uit in samenspraak met de eigenaars. Hij maakt een uitvoeringsontwerp op; lastenboek, meetstaat, plannen. Leidt de werken. Doet de opleveringen. Hij is de persoonlijke raadgever van zijn cliënt tot de werken voltooid zijn. |
| architectuurgeschiedenis 1800-2000 | Klik hier voor INFO |
| Architraaf 1 | de hoofdbalk, het onderste, dragende deel van een hoofdgestel in de klassieke Griekse en Romeinse bouwkunst (het hoofdgestel bestaat van onderen uit architraaf, fries en kroonlijst). |
| Architraaf 2 | timmersmansterm voor de omlijsting van een deur- of raamkozijn |
| archivolt | Portaalboog van een kerk met geprofileerde geledingen aan de frontzijde en in de dagkant. |
| arkeltorentje | Een veelhoekig of rond uitbouwsel aan of op de hoek van een gevel. Het torentje verheft zich vanaf de eerste of een hogere verdieping en is overkapt met een spits. |
| Art Deco 1910-1940 |
Men zette zich af tegen het Kenmerken Strakke, eenvoudige vormgeving, abstract, en fel kleurgebruik. Deze architectuurstroming was baanbrekend wat betreft de combinatie kunst en architectuur, en doet de term 'bouwkunst' eer aan. |
| Art nouveau | Zie Jugendstil |
| Art Nouveau Decoratiestijl | opgekomen tegen het einde van de 19 de eeuw als reactie op de neostijlen. Het ornament bestaat uit grillige, slingerende lijnen waarbij vaak plantaardige motieven worden toegepast. Andere benamingen: Jugendstil, Nieuwe Kunst, spottend: Vermicellistijl. De Art Nouveau wil geheel oorspronkelijk zijn; vandaar de veelal ongebruikelijke gevormde deur- en vensteromlijstingen. |
| as | (of kraag) Synoniem voor travee; het midden van een draaitrap |
| Atrium | Het atrium vormde in een Romeins woonhuis de belangrijkste en centrale ruimte. De term atrium wordt ook in latere bouwkunst gebruikt om een ruimte te benoemen. Veelal is deze ruimte bij de ingang van een gebouw gesitueerd en is dan samengesteld uit de entree van het gebouw met daarachter een vide. |
| Attiek | Een attiek is een versierde verhoging aangebracht op een kroonlijst, vaak om het puntdak aan het oog te onttrekken. De attiek wordt vooral in de 18de eeuw toegepast. Er zijn open attieken (vaak één) en gesloten attieken. |